Morgenbouwers Logo
Gevel
 

Is zonwerende beglazing een goede oplossing om oververhitting te vermijden?

In dit artikel bespreken we wat we verstaan onder zonwerende beglazing, wat vierseizoensbeglazing is en hoe efficiënt de beide zijn om oververhitting tegen te houden.

Hoewel het de meest efficiënte manier is om de zon buiten te houden, werpt zonwering nog steeds weerstand op bij sommige (ver)bouwers. Gemakkelijkheidshalve wordt er dan gekeken naar de beglazing om het oververhittingsprobleem aan te pakken.

Enkele korte definities

Naast een isolatiewaarde (Ug-waarde) heeft elke beglazing ook een typische g-waarde: de zontoetredingsfactor. Deze geeft aan hoeveel % van de zonnewarmte die invalt op de beglazing, doorgelaten wordt door de beglazing. Hoe hoger de g-waarde, hoe meer warmte de beglazing doorlaat.

De meest voorkomende zonwerende beglazing hebben typische g-waardes tussen 25 en 40 %. Een standaard HR++ dubbele beglazing of een drievoudige beglazing heeft een g-waarde van eerder 50 à 60%.

Daarnaast heeft elke beglazing ook een lichttoetredingsfactor (TL-factor). Deze drukt uit hoeveel % van het zonlicht dat invalt op de beglazing, doorgelaten wordt door de beglazing. Hoe hoger de TL-waarde, hoe meer daglicht de beglazing doorlaat.

Waarom best geen zonwerende beglazing?

De gangbare zonwerende beglazing heeft het grote nadeel dat de g-waarde permanent laag is. Dat heeft tot gevolg dat we ook ’s winters veel minder warmtewinsten hebben. Daarenboven heeft zonwerende beglazing, met die typische g-waardes tussen 25 en 40 %, nog steeds maar een matig tot weinig effect qua zonwering, volgens de gedefinieerde klassen (zie het artikel over zonwering: Hoe kies je de juiste zonwering voor jouw woning?). Daarnaast heeft een zonwerende beglazing meestal ook een lagere lichtdoorlatingsfactor (TL-waarde) dan een klassieke beglazing.

Is vierseizoensbeglazing dan een oplossing?

Vierseizoensbeglazing wordt door handige verkopers aangeprezen als dé oplossing: het zou immers de zon tegen houden in de zomer en toch nog genoeg warmte doorlaten in de winter. Dit klinkt te mooi om waar te zijn, en dat is het dan ook. Vierseizoensbeglazing is ook niet meer dan dat: een verkoopspraatje.

Elke beglazing is namelijk eigenlijk vierseizoensbeglazing. De g-waarde waarvan hierboven sprake, wordt namelijk bepaald voor loodrechte inval van de zon op de beglazing. Dat wil zeggen, als de zon laag staat, in wintersituatie. In de zomer staat de zon (veel) hoger en valt deze onder een andere hoek in op de beglazing, met als resultaat een lagere g-waarde.

In de praktijk is vierseizoensbeglazing een beglazing met een g-waarde van ±40%. Dat is te weinig om echt gebruik te kunnen maken van passieve zonnewinsten in de winter en niet laag genoeg om voldoende zon tegen te houden in de zomer…

Conclusie

Kies dus beter niet voor zonwerende beglazing of vierseizoensbeglazing, maar eerder voor een goede thermisch isolerende beglazing met een g-waarde van minstens 50 % en een TL-waarde van minstens 60 %, in combinatie met een goede buitenzonwering.

Meer info

Raadpleeg onze Bouwwiki voor meer artikels over het vermijden van oververhitting (kies links onder “Thema’s” voor “Oververhitting”). Het artikel "Hoe kies je de juiste zonwering voor jouw woning?" is een goede aanvulling op dit artikel.

Volg onze infosessie Hou je huis koel.

Artikel geschreven door ir. arch. Bert Vanderwegen, technisch adviseur duurzaam bouwen