de Koevoet » Archief

terug naar overzicht

 

Vossen, wezels, egels, marters en godweetwat
Wat ruist er in het struikgewas?

De winter geeft ons de gelegenheid even stil te staan bij enkele specifieke natuurfenomenen waarmee we in onze tuin kunnen worden ‘geconfronteerd’. In deze aflevering storten we ons op de zoogdieren. De vos en de steenmarter bv. hebben de reputatie schadelijk te zijn voor onze kippen en konijnen. Dat dit niet zo hoeft te zijn wordt snel duidelijk. Enige simpele beschermende maatregelen volstaan om deze prachtige dieren te kunnen gadeslaan in de eigen tuin zonder dat de schrik u om het hart slaat.

Sabine, de vos

Eén van de eerste ‘belagers’ die we vroeg of laat kunnen ontmoeten, is de vos. Er zijn al heel wat verhalen de wereld ingestuurd over dit schrandere roofdier. Vele ervan zijn ontsproten aan de fantasie van malafide breinen, maar het is intussen wel duidelijk dat deze dieren in het Vlaams gewest in opmars zijn. Het is niet de bedoeling een reconstructie te maken van hoe en waarom de vos sinds enkele jaren voorkomt tot aan de kust, daar waar hij minder dan tien jaar geleden nog enkel in Wallonië werd waargenomen. Daarover bestaan interessante artikels in de meer gespecialiseerde literatuur. Voor diegenen die dit wensen, hou ik mij ter beschikking om enkele interessante tips door te geven. Slotsom vandaag is dat de ongebreidelde vermeerdering sterk afneemt en dat er sprake is van een zekere stabilisatie van de aantallen. Dat was ook zo verwacht. We hebben immers te maken met een sterk territoriaal gebonden dier. Als alle territoria zowat volzet zijn, houdt de vermeerdering op.

Intussen is het duidelijk dat we niet zoveel mogelijkheden hebben om ons adequaat tegen Reintje te beschermen. Als we merken dat de vos in de buurt aanwezig is, kunnen we beter meteen aan de slag om hem buiten ‘ons’ territorium te houden. Tenminste, als er eetbaar wild rondloopt in onze tuin, in de vorm van bijvoorbeeld kippen, ganzen of eenden. Als er geen hapklare maaltijden voorhanden zijn, hoeven we niks te doen. Dan zal hij zich hooguit lenen tot een pracht van een waarneming, en zo mogen er meerdere zijn. Beschikken we toch over de vermelde hoenderachtigen, dan gaan we ervan uit dat we hun nachtschuilplaats best hermetisch afsluiten. Als we daar in slagen, dan is het meeste gevaar geweken. Hierbij is het absoluut nodig om elke avond het hok dicht te doen, en ’s morgens weer open te maken. Handige salonhelden zullen ongetwijfeld een timer installeren, het weze hen gegund. Zeker op het platteland, waagt de vos zich overdag zelden dicht bij de huizen, er zijn immers voldoende alternatieven om prooien te verschalken in de vrije natuur.

Populair in Wallonië

In een meer verstedelijkt milieu is al verschillende keren melding gemaakt van dagwaarnemingen. Daar kan het nuttig zijn om een groter gedeelte rond het kippenhok extra af te sluiten. Behalve het dichte nachthok, kunnen we dan een draad van minstens 2 meter hoog en een halve meter diep in de grond zetten. Om te beletten dat onze vriend(in) toch nog begint te graven, kunnen we aan de buitenzijde en aan de voet van de draad nog platen leggen van een halve meter breed. De praktijk heeft inmiddels uitgewezen dat deze methode zeer afdoend werkt. Het valt trouwens op hoe men in Wallonië sinds lang heeft leren leven met de vos als buur. In streken waar hij veel aanwezig is, zetten de bewoners ‘automatisch’ hun tuin af met een degelijke omheining. Daar hoeft het niet zo drastisch als bij ons, omdat in de Waalse vrije natuur over het algemeen nog heel wat meer prooiaanbod is dan bij ons. Waarom zou een vos daar al de moeite doen om in een kippenhok in te breken, als de prooien er verder min of meer voor het grijpen liggen?

Karel, de steenmarter

Een andere belager die in opmars is in Vlaanderen, is de steenmarter. De jongste waarnemingen laten zien dat dit slank en snel roofdier inderdaad aan een serieuze uitbreidingsbeweging bezig is in onze contreien. Zelfs in West-Vlaanderen werd hij intussen waargenomen, of all places! We kunnen dus gerust stellen dat ook de steenmarter Vlaanderen zowat volledig heeft veroverd, zij het dat de aantallen zeker niet zo groot zijn als die van zijn neef, de vos. In tegenstelling tot deze laatste, zijn bij de steenmarter nog lang niet alle territoria volzet. Het is trouwens niet eens zeker dat dit ooit zal gebeuren, maar ook daar houden gespecialiseerde bladen ons ongetwijfeld nauwkeurig van op de hoogte. Dit prachtige dier ‘buiten’ houden, is al een heel andere zaak. Omdat ik vermoed dat de steenmarter minder bekend is dan de vos, is het misschien nuttig enkele weetjes vooraf te vermelden. Dit dier is wat men noemt een cultuurvolger. Overal waar de mens aanwezig is, kunnen we hem ontmoeten, dus zelfs in stedelijk milieu. Op dat vlak is hij perfect vergelijkbaar met de vos. Maar veel meer dan deze laatste, is de steenmarter van de mens afhankelijk voor zijn nestgelegenheid. Die vindt hij meestal in allerlei soorten niet te luidruchtige of ‘drukbeleefde’ gebouwen.

Meestal weten de mensen niet eens dat er een steenmarter in hun schuur woont, tenzij de typische geur de dieren zou verraden. Hoedanook, als ze worden opgemerkt, begint meestal een meedogenloze jacht vanwege de huiseigenaar. Ten onrechte. Deze handige en snelle jager vangt immers veel ratten en muizen. In onze natuurlijke tuin is er dus in principe veel prooi aanwezig, en daarom is het interessanter de steenmarter te vriend te houden in plaats van hem weg te jagen. Ik mag aannemen dat we het hier niet hoeven te hebben over ‘doden’, het lijkt me sowieso uitgesloten dat we ons hiertoe zouden verlagen.

Geursporen

Wat staat er, buiten ratten en muizen, nog zoal op zijn menu? Konijnen en kippen worden best wat in de gaten gehouden. Ook de eieren van onze kippen zijn niet altijd even veilig. Wilde vogeltjes versmaadt hij evenmin. Verder haalt hij zijn neus niet op voor aas, regenwormen, insecten, tot zelfs keukenafval. Hij kan dus alle kanten uit, en dat maakt meteen dat hij zowat overal in het veld kan voorkomen. Wanneer een steenmarter onze woonst uitkoos als uitvalsbasis, zouden we eigenlijk blij moeten zijn. Het is een eer een steenmarter op het erf te hebben. Om onze neerhofdieren te beschermen, kunnen we dezelfde maatregel nemen als tegen de vos: de hoenderhokken ’s nachts goed afsluiten. Een omheining plaatsen heeft geen enkele zin, de steenmarter klimt dat het een lieve lust is. Wel een erg doeltreffend en onvoorstelbaar simpel middel om hem te verjagen, is onze geur achterlaten in zijn leefplaats. Als je weet waar hij zich schuilhoudt, verspreid je je geur door zoveel mogelijk voorwerpen in de buurt van zijn nest vast te nemen. Dit verdraagt het dier niet, en het zal dan ook het hazenpad kiezen. Enkele handige handelaars hebben hier recent nog op ingepikt door strips tegen marters te verkopen. Die breng je dan aan in de buurt van het nest, en weg is hij. Maar zoveel moeite hoef je er dus niet voor te doen.

Teken aan de wand

Als we er even van uitgaan dat de meeste lezers alleen een siertuin hebben, is hiermee zowat de kous af voor wat betreft de potentieel meest voorkomende ‘lastige’ dieren. In de moestuin ligt dit natuurlijk anders. Daar heb je de typische belagers van de verschillende gewassen. De aanpak ervan zou ons in deze rubriek te ver voeren, daarover bestaan zeer goeie boeken en gegevens, onder andere bij VELT. Ik mag aannemen dat het geen probleem is om daar aan te komen. Wat we wel nog kunnen vinden in onze siertuin zijn de gevreesde teken die de ziekte van Lyme van overbrengen. In alle kranten en tijdschriften hebben we erover kunnen lezen, dus dat huiswerk hoeven we niet meer over te doen. Toch is het geen overbodige luxe er wat aandacht voor te hebben. Deze teken hebben verschillende zoogdiersoorten en vogels als tussengastheer. Op de lichtere zandgronden komen ze massaal voor, maar intussen zien we ze op alle bodemtypes verschijnen, over heel West-Europa.

Als we in de tuin geweest zijn, kan het nooit kwaad onszelf te (laten) controleren op deze spinachtigen. Het duurt immers een twaalftal uren vooraleer ze zich vastbijten op de warmste en vochtigste plaatsen van ons lichaam. We hebben dus ruim de tijd om ze op te sporen vooraleer ze aan hun weinig verkwikkende, bloedzuigende taak beginnen. Een geoefend oog vindt ze relatief snel terug, dat valt dus wel mee. Maar verwaarloos de controle toch niet te veel, zelfs in de (zachte) winters. Het is ongetwijfeld zo dat de aantallen bij warm zomerweer groter zijn dan vroeg of laat op het jaar, maar de praktijk wijst uit dat ze zowat het hele jaar door actief kunnen zijn. Dat is vooral zo wanneer de kou uitblijft, zoals dat de jongste jaren wel eens meer het geval was. Andere storende gasten die we in de tuin, of van daar in het huis, kunnen ontmoeten zijn in de voorbije afleveringen ongeveer allemaal aan bod geweest. We zijn daarbij steeds uitgegaan van het principe dat voorkomen veel beter is dan genezen.

Evelien, de egel

Hoog tijd dus dat we ons concentreren op de aangename ontmoetingen die we kunnen hebben. Even belangrijk als het voorzorgsprincipe, is het inschakelen van vijanden die er voor zorgen dat mogelijke onevenwichten niet te ver uit de hand lopen. Een typisch voorbeeld hiervan is de egel, tegelijk onvergetelijk en onbetaalbaar. De aantallen schadelijke insecten en slakken die hij binnenspeelt, maken dat hij zijn gewicht in goud waard is. Je kan egels best aantrekken door de tuin zo natuurlijk mogelijk te maken. In de eerste plaats betekent dit zoveel mogelijk kleinschalige landschapselementen inbrengen. Hagen, struiken, houtwallen, slordige hoekjes, ... daar valt hij voor. Maar bovenal ook nestgelegenheid. Naast de kunstmatige bakken die je tegenwoordig zowat overal in het commercieel circuit vindt, zijn er ook nog de meer natuurlijke varianten. Wat onverharde, mulle grond onder een afdak kan wonderen doen. Gewoon het maaiveld laten voor wat het is, en het onbegroeid houden door geen licht te laten invallen. Een golfplaat of houten bord schuin tegen de muur kan voldoende zijn. Of ruimte laten onder de hout- en hooimijt geeft veel kans op succes.

Waar deze wandelende speldenkussens het niet op begrepen hebben, zijn onder andere loslopende kippen, eenden, ganzen, katten, honden, en meer van dat fraais. Want alhoewel egels in feite nachtdieren zijn, kunnen we ze regelmatig bij schemering ontmoeten. Dit laatste vooral in de late lente, wanneer de jongen alsmaar groter worden en meer voedsel nodig hebben. Meestal zijn de hoenderachtigen dan al op stok, maar de genoemde viervoeters kunnen het dan nog heel erg bont maken. En het is zeker geen uitzondering om zelfs overdag een egel te verrassen, op zoek naar voedsel voor de immer gulzige jongen. Ze verlaten gegarandeerd hun leefgebied, of gaan zich niet vestigen waar te veel drukmakers rondlopen. De betreffende dieren in hun leefgebied (ren) houden, achter de omheining, is aangewezen.

Pepijn, de hermelijn

Dat geldt eveneens voor dieren als hermelijn en wezel: die houden evenmin van drukdoenerij. Beide soorten komen nog relatief veel voor in Vlaanderen en houden van een natuurlijk tuinbiotoop. Ze kunnen hun nesten ook in bomen maken, naast het gebruik van de haast klassieke ratten- of muizenverblijven. Het zijn geduchte ratten- en muizenverdelgers, en ze laten de huisdieren relatief met rust. Net als de egel kunnen ze wel eens zin hebben in een eitje, maar daar blijft het meestal bij. Daar zit hun relatief klein formaat uiteraard voor veel tussen. De bunzing daarentegen versmaadt zeker ook de kip zelf niet, maar hij komt weinig voor in tuinen. Hij heeft vochtiger leefgebieden nodig, liefst met flinke bospartijen. Op boerderijen kan hij zich vestigen als ze nabij deze biotopen gelegen zijn. Toch bestaat er ook zoiets als een stadsvariant, die best in de menselijke omgeving kan overleven, desnoods van dierlijk afval. Maar door de band zullen we hem dus niet veel zien. In tuinen zonder kippen en dergelijke is hij dan weer wel erg welkom, ook al omwille van de vele muizen en ratten die hij vangt.

Martha, de vleermuis

Andere zoogdieren die we absoluut nog in de watten moeten leggen omdat ze nog steeds enorm achteruit gaan, zijn de vleermuizen. Als ze nu al in je tuin aanwezig zijn, hou ze dan met alle middelen in de buurt. Je kunt ze aantrekken door holten, kieren en spleten te voorzien in gebouwen. Uiteraard zijn oude, holle bomen de meest uitgelezen verblijfplaats. Tegenwoordig vind je vele nestkasttypes waar ze graag in verblijven. Onnodig te vermelden dat je geen betere insectenvangers kunt vinden, het is onvoorstelbaar hoeveel ze van deze diertjes naar binnenwerken. Ook vleermuizen vallen voor kleinschalige landschapselementen, en ze hebben graag wat waterpartijen in de buurt. Bedenk dat alle soorten gevoelig zijn voor trillingen op de slaap- en nestplaatsen. Huizen waar regelmatig veel lawaai is of zware muziek speelt die door de wanden ‘voelbaar’ is, worden gemeden. Tja, wil je de natuur aantrekken, dan moet je er soms wat voor over hebben. Bedenk dat het dikwijls veel moeilijker is voor de dieren om met de mens te leven, dan omgekeerd. Volgende keer komen de vogelsoorten aan de beurt.

Herman Dierickx

 

terug naar overzicht


© 2000-2012, Dialoog vzw : Duurzaam Bouwen & Bewust Wonen - Disclaimer
Remylaan 13, 3018 Wijgmaal-Leuven -