Wat spelen die sakkerse Scandinaven klaar dat wij Belgen niet kunnen? Even een blik werpen op de situatie van de landbouw in Zweden, de impact van windenergie in Denemarken en de opkomst van de waterstofeconomie in Ijsland. De Vikingen zijn weer in aantocht.
Het Vlaamse regeerakkoord bepaalt dat tegen 2004 drie procent van de energiebehoefte uit hernieuwbare energiebronnen moet gewonnen worden. Ongeveer 2/3 hiervan zou uit windenergie moeten komen. De Denen staan al net iets verder. In 1993, toen de enige realisatie op het vlak van windenergie in België de twintig molens van elk 200 kW in Zeebrugge waren, stond in Denemarken al voor 500 MW aan windturbines opgesteld, goed voor 3% van hun elektriciteitsverbruik. Vandaag bedraagt hun opgesteld vermogen bijna 1800 MW. In het kader van de afspraken die gemaakt werden op de milieuconferentie van Kyoto om de totale CO2-uitstoot tegen 2010 te verlagen met 20% (t.o.v. de situatie in 1990) werd een nieuwe doelstelling geformuleerd: tegen 2030 moet 40% van de elektriciteitsconsumptie (of 5500 MW, waarvan 4.000 MW offshore) uit hernieuwbare energie gewonnen worden. Gebrek aan visie kan je hen niet aanwrijven. Windenergie is bovendien een interessante wereldmarkt geworden, waar Deense fabrikanten (Bonus en Vestas, om er maar twee te noemen) het grootste deel van inpalmen. Windenergie is dan ook een van de belangrijkste exportproducten van het land.
Zweden heeft, net als Oostenrijk en Finland, (nog) geen last van gekke koeien. De methodes van de intensieve veeteelt werden er in de jaren tachtig al afgevoerd. Het land was één van de eersten om het gebruik van dierlijke proteïnen (afkomstig van zieke dieren, vis- of beendermeel) in veevoeder te verbieden en slechts een beperkte invoer van dieren uit andere Europese landen toe te staan. Gelijkaardige maatregelen worden nu op Europees niveau voorgesteld om de BSE-crisis het hoofd te bieden. Uit bezorgdheid voor het dierenwelzijn werd vanaf de jaren tachtig het kweken van batterijkippen geleidelijk afgebouwd en kregen de varkens en koeien meer plaats in hun boxen en kooien. Het gebruik van chemicaliën in de landbouw werd strikt beperkt en het gebruik van antibiotica in veevoeder verboden. Deze maatregelen deden de productiekost met zo’n 10 tot 15% stijgen maar de productie zelf verhoogde ook. Gezonde dieren die in een aangename omgeving worden gehouden produceren immers ook meer. Het Europese landbouwbeleid, enkel gericht op zo goedkoop mogelijke productie, heeft hier wel degelijk afgedaan.
De IJslanders tenslotte hebben een nieuwe economie uitgevonden: de waterstofeconomie. Een economie die niet langer draait op olie, steenkool en andere fossiele brandstoffen maar op waterstof. De regering, de universiteiten en de industrie sloten vorig jaar een miljardencontract af om de mogelijkheden van de nieuwe energiebron te onderzoeken. De voordelen zijn niet te overschatten: de energie die vrijkomt bij de omzetting van waterstof geeft enkel water en warmte als ‘afvalproducten’ en waterstof is een zo goed als onbeperkt voorradige grondstof. De wereld kijkt naar IJsland en hoopt dat het lukt.
België scoort op het vlak van duurzaamheid het slechtst van alle onderzochte lidstaten van de Europese Unie. Het bevindt zich op de 79ste plaats in de ranglijst tussen Roemenië en Albanië, zoals bekend niet meteen modellanden die de bakens verzetten in de wilde vaart der volkeren. Deze nuchtere vaststelling wordt gedaan in de Environmental Sustainability Index 2001, die eind januari werd bekendgemaakt tijdens het jaarlijkse Wereld Economisch Forum in het Zwitserse Davos.
De jaarlijkse bijeenkomst van de invloedrijkste multinationals baarde een milieuduurzaamheidsindex: een lijst met 122 landen die uitgebreid onderzocht werden op hun milieukwaliteit. De index splitst het begrip duurzaamheid op in 22 factoren (luchtkwaliteit, volksgezondheid, milieuwetgeving, …) die gemeten worden aan de hand van 67 variabelen (het gehalte aan zwaveldioxide in de lucht, het percentage beschermde natuurgebieden, kindersterfte, …) wat per land een score oplevert tussen nul en honderd punten. Wat blijkt uit dit grootschalig onderzoek, uitgevoerd door wetenschappers van twee Amerikaanse universiteiten, Columbia en Yale, en een milieuwerkgroep van het Wereld Economisch Forum? Meest opvallend zijn de Scandinavische landen die de lijst aanvoeren met de vingers in de neus: Finland op 1, Noorwegen op 2 en Zweden op de vierde plaats. De overige EU-landen doen het doorgaans verre van slecht: elf van de veertien onderzochte landen vinden we terug in de top 25. Alleen de Belgen spelen verstoppertje onderaan de rangschikking.
Een selectie uit de ranglijst
| 1. Finland 80,5 2. Noorwegen 78,2 3. Canada 78,1 4. Zweden 77,1 5. Zwitserland 74,6 6. Nw.-Zeeland 71,3 7. Australië 70,7 8. Oostenrijk 67,8 |
9. IJsland 67,3 10. Denemarken 67 11. VS 66,1 12. Nederland 66 13. Frankrijk 65,8 14. Uruguay 64,6 15. Duitsland 64,2 22. Japan 60,6 |
28. Brazilië 57,4 33. Rusland 56,2 37. Italië 54,3 75. Bhutan 45,1 79. België 44,1 93. India 40,9 108. China 37,6 122. Haïti 24,7 |
Geert Van Geeteruyen
Meer informatie
Het hele onderzoek van het Wereld Economisch Forum, met methodologische
verantwoording, is te vinden op www.ciesin.org/indicators/ESI