Wim de Groote renoveerde een rijhuis in Gent. Bijzondere aandacht ging uit naar de installatie van uitgelezen apparatuur voor elektriciteit en verwarming die het verbruik drastisch zouden moeten terugschroeven. Verder zou een energiezuinige attitude de resultaten positief beïnvloeden. Onder het motto meten is weten, presenteert Wim hier de gemeten resultaten van de afgelopen drie jaar.

Gedurende drie jaar werd het elektriciteitsverbruik maandelijks opgemeten. Het huis wordt bewoond door drie personen (twee volwassenen en een kind) en is voorzien van alle comfort. Wel is het huis uitgerust met speciale energiezuinige huishoudapparatuur waaronder bijvoorbeeld een hotfill wasmachine en een gasgestookte droogtrommel. Het totale jaarlijkse elektriciteitsverbruik bedraagt 850 kWh en dat is ongeveer vier keer minder dan het verbruik bij andere 3-persoonsgezinnen in België (zie figuur 1). Figuur 2 geeft een overzicht van de fluctuatie van het maandelijks energieverbruik gedurende de periode 1997-1999. In deze grafiek is een dalende trend waar te nemen die zich ook de volgende jaren zou verderzetten.
Individueel geplaatste meters op de voornaamste apparatuur lieten toe het eindverbruik minutieus op te volgen en op te splitsen in verschillende deeldomeinen: verlichting, wasmachine, droogkast, televisie, verwarming en stand-by verliezen. Door een goed inzicht in het verbruikersgedrag was het ook mogelijk een onderscheid te maken tussen de invloed van de technologie enerzijds en het bewonersgedrag anderzijds. Op het einde van dit artikel worden hieraan toch wel spectaculaire conclusies verbonden. Eerst bekijken we de verschillende deeldomeinen en hun energieverbruik.

De verlichting is verdeeld over 20 lichtpunten met lampen. De lamptypes bestaan uit 6 spaarlampen, 7 TL-lampen en 7 gloeilampen. Het totaal geïnstalleerde vermogen is 790 Watt (= 4,4 W/m²) waarvan 19,5% spaarlampen, 22,3% TL-lampen en 58,2% gloeilampen. Vergeleken met een standaard huishouden in Vlaanderen, dat 1,2 spaarlampen heeft (VIREG 1998), heeft dit huishouden 9 maal meer efficiënte lichtbronnen geïnstalleerd.
Het was niet mogelijk om het verbruik van de verschillende lampen afzonderlijk te meten. Daarom werd de volgende methode toegepast om het aandeel van de verlichting te kunnen bepalen. Vooreerst werd het verbruik van alle andere apparatuur afgetrokken van het totale elektriciteitsverbruik. Vervolgens werd verondersteld dat van het overblijvende gedeelte enkel het lichtverbruik seizoensgebonden is. Aan de hand van de seizoensschommelingen (zie ook figuur 2) werd berekend dat het verbruik in juni tussen de 4 kWh en 8 kWh schommelt, met een gemiddelde van 6. Op basis van deze gegevens werd het jaarlijkse energieverbruik berekend op 175 kWh. Als referentiepunt voor het verbruik van een standaardgezin, gebruiken we 700 kWh per jaar (Cabinet Sidler 1996, Boardman et Al. 1997).
Alhoewel dit moeilijk te bepalen is, hebben we geen indicaties dat ons huishouden specifiek anders met haar verlichting omspringt dan andere gebruikers. Daarom schrijven we het lage verbruik helemaal toe aan het vervangen van gloeilampen door spaarlampen.

Het gezin had een oude koelkast met een 16 liter **-vriesvak, maar geen diepvriezer. Het gemeten verbruik van de koelkast bedroeg 163 kWh per jaar. In februari 2000 werd dit toestel vervangen door het meest efficiënte toestel op de Belgische markt, zonder vriesgedeelte. In figuur 3 wordt de impact getoond van de beslissing van het huishouden om niet voor een diepvriezer te kiezen. De vervanging van het oude toestel door een koelkast (160 liter) en een energiezuinige diepvriezer (178 liter ****) zou een stijging van het elektriciteitsverbruik met 133 kWh per jaar veroorzaakt hebben. Door niet voor een diepvriezer te kiezen, bespaart het gezin nu 45 kWh per jaar (29%) t.o.v. de oude frigo.
De wasmachine is een hot fill type met een A/A/A-label. Het hot fill-principe houdt in dat het warme water rechtstreeks van de gasgeiser komt (geplaatst op 5 meter van de machine) en niet elektrisch in de machine wordt opgewarmd. Gedurende één jaar werd elke individuele wascyclus gemeten. In het totaal werden 113 wascycli per jaar genoteerd. Dit resulteert in een gemiddeld gebruik van 2,35 wascycli per week (een periode van 4 weken verlof meegerekend). Dit is gevoelig minder dan de doorsnee 4,3 cycli per week, vernoemd door Belgische geënquêteerden op de vraag Hoe dikwijls gebruik je je wasmachine?" (Vireg 1998), alhoewel deze cijfers gissingen zijn en geen gemeten waarden. Hoe dan ook, uit gemeten waarden van de CIEL-studie (Cabinet O. Sidler 1996) blijkt het gemiddelde cijfer nog hoger te liggen met een gemiddelde van 257 cycli per jaar. Wat betreft het temperatuursgebruik van de wasmachine (graden waarop gewassen wordt) en de invloed hiervan op het energieverbruik, wijken we niet af van de gemeten huishoudens in Frankrijk. Het feit dat ons gezin met 50% cycli minder wast, mag toegeschreven worden aan gebruikersgedrag waarbij de wasmachine enkel aangezet wordt met volle trommel.
In figuur 4 wordt het energieverbruik van onze machine vergeleken met dat van een gemiddeld apparaat uit de CIEL-studie en met een AAA wasmachine. Ook berekenen we de invloed van een doorsnee gebruikersattitude (niet altijd wassen met volle trommel) op het energieverbruik van ons apparaat. En wat het gebruikersgedrag van ons gezin met een doorsnee apparaat zou opleveren.

De invloed van het gedrag van de bewoners op de energieconsumptie, door enkel de wasmachine te gebruiken met volle trommel, is overduidelijk (reductie van energieverbruik met 59%). Het gebruiksgedrag weegt zelfs zwaarder door dan de invloed van de technologiekeuze voor een hot fill AAA machine (reductie van energieverbruik met 48%). Gebruiksgedrag en technologiekeuze samen zorgen voor een besparing in energie van 79,6%, vergeleken met een doorsnee apparaat uit de CIEL-studie. Natuurlijk moet ook de energie verbruikt door de gasboiler verrekend worden, maar tal van studies hebben bewezen dat water opwarmen via elektriciteit extreem verspillend is (Norgard et. Al. 1997).
Een andere opvallende conclusie van figuur 4 is dat een wasmachine met AAA-label maar 14% zuiniger is dan een doorsnee apparaat op de Franse markt (waarvan meer dan 50% vervaardigd werd voor 1990). Het is een open vraag of om het even welk koudwaterapparaat wel een A-label voor energie-efficiëntie verdient.
De droogkast van ons gezin was een met kamerlucht geventileerd type waarbij het wasgoed gedroogd werd op kamertemperatuur, met een uitgang naar buiten. In de machine bevond zich een extra elektrisch verwarmingselement, dat zelden gebruikt werd tijdens de periode van registratie. Het voordeel van zulk een type machine is zijn laag energieverbruik. De nadelen zijn het lawaai, de lange droogperiode en de slechte uitvoer van vochtige lucht naar buiten. Daarom werd de machine kort na de meetperiode vervangen door een gasgestookte droogkast.

De eerstvermelde droogkast werd gemeten gedurende een periode van in totaal 12 maanden. Individuele cycli werden gedurende 4 maanden geregistreerd. In het totaal werden 84 droogcycli per jaar genoteerd. Dit resulteert in een gemiddelde van 1,75 droogcycli per week (inclusief een periode van 4 weken verlof). Dit is bijna 50% minder dan de doorsnee 3,3 cycli per week, vernoemd door Belgische verbruikers op de vraag Hoe dikwijls gebruik je je droogkast?" (Vireg 1998).
De Franse CIEL-studie mat 3,7 cycli per week en registreerde een gemiddeld verbruik van 480 kWh per jaar voor een droogkast.
Als gevolg van ons gebruikersgedrag (zoveel mogelijk buiten drogen, enkel drogen met volle trommel) zijn er ca. 50% minder droogcycli vergeleken met een doorsnee gezin.
In figuur 5 wordt het energieverbruik van onze machine vergeleken met dat van een gemiddeld apparaat uit de CIEL-studie. Ook berekenen we wat het gebruiksgedrag van ons gezin met een doorsnee apparaat zou opleveren. En de invloed van een doorsnee gebruikersattitude op het energieverbruik van ons apparaat.

De invloed van het gebruiksgedrag, door het apparaat weinig en enkel met volle trommel te gebruiken, is duidelijk (reductie van energieverbruik met 56%). Gebruiksgedrag is een bijna even sterke factor als de technologiekeuze voor een met kamerlucht geventileerde droogkast. Gebruiksgedrag en technologiekeuze samen zorgen voor een reductie van energieverbruik met 81% t.o.v. een doorsnee machine in de CIEL-studie.
De televisie is meer dan 10 jaar oud. Zijn energieverbruik werd gemeten gedurende twee perioden van 5 maanden, resulterend in een jaarlijks energieverbruik van 104,2 kWh van welke 81,4 kWh in aan-stand. Met een gemeten leaking loss (in uit-stand) van 3,0 W, berekenen we een gemiddelde van 3u30 dagelijks actieve stand.
Deze waarden komen overeen met gemeten gemiddelden in andere huishoudens (Cabinet Sidler 1996, Norgard et Al 1997).
Het huis wordt verwarmd met gevelkachels op gas. Elektriciteit wordt gebruikt voor de ontsteking en vooral voor de circulatieventilator. Energieverbruik werd gemeten gedurende een gans stookseizoen en bedroeg 44,7 kWh per jaar (1999). Dit is voordelig vergeleken met een standaard huis met een doorsnee energieverbruik van 297 kWh/jaar voor de circulatiepomp van de centrale verwarming (Cabinet Sidler 1996, Norgard et Al. 1997). We schrijven dit verschil compleet toe aan de keuze van technologie.
De grootst gemeten stand by-verliezen kwamen van de radio (15 Watt) en van de video (20 Watt). Andere verliezen werden veroorzaakt door de draadloze telefoon (6 W), de TV (3 W), de modem (2,75 W) en de CD-speler (3,1 W).
Ook het verbruik van de elektriciteitsmeters werd in rekening gebracht
(1,2 W / per stuk).
Net zoals in een gewoon huishouden blijven verlichting en koelkast de belangrijkste verbruiksposten. Zoals te verwachten wegen de stand by-verliezen in een laag elektriciteitshuis meer door.
Figuur 7 vergelijkt het jaarlijkse energieverbruik van een doorsnee huishouden met dat van ons gezin in drie verschillende fases: met beter gebruiksgedrag, met betere technologie, met beiden.
Een energiebewust gebruiksgedrag doet het elektriciteitsverbruik dalen met 14% in vergelijking met een doorsnee gezin. De voornaamste redenen hiervoor zijn: het wassen met een volle machine, het drogen van kleren buitenshuis of met een volle trommel en het feit dat de familie geen diepvries aanschafte.
De meer efficiënte technologie alleen,zoals ze ook door een doorsnee
gezin zou kunnen gebruikt worden, zorgt voor een energiedaling van 59%.
Een zuinig gebruik gecombineerd met efficiënte technologie zorgt
voor een energiebesparing van 70%.
De algemene conclusie is dat de keuze van technologie belangrijker doorweegt
dan gebruikersgedrag. De voornaamste besparingen komen van:

Wim De Groote
Referenties