Hand in hand met de overheid bestrijdt de milieubeweging uitwassen van de westerse levensstijl. Maar de kern van het probleem verliest men uit het oog. Een diagnose.
Nog steeds wordt in brede kring gedaan alsof de milieucrisis een bedrijfsongeval van de moderne samenleving is. Overheid en milieubeweging beperken zich tot het tegengaan van ongewenste neveneffecten. Achteraf sturen we bij, in de mening dat we niet veel aan de gangbare levensstijl hoeven te doen. We verontreinigen water om het daarna te zuiveren, terwijl het beter zou zijn de verontreiniging te voorkomen. Als het milieuprobleem geen toevallig neveneffect van onze manier van leven is, werkt zo’n aanpak niet. Dan zijn we voornamelijk met symptoombestrijding bezig. Dat is precies de indruk die ik van het gangbare milieubeleid krijg; het is weinig meer dan symptoombestrijding. Het milieubeleid faalt immers structureel. Doelen op het gebied van energiebesparing en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen worden keer op keer niet gehaald. We hebben ons bij internationale overeenkomsten vastgelegd op vermindering van de uitstoot van CO2, verzuring en vermesting van de bodem, maar de uitstoot neemt alleen maar toe. De lijst van met uitsterven bedreigde planten en dieren wordt langer. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de wortels van het milieuprobleem op een dieper niveau liggen dan waar actie op ondernomen wordt.
Het milieuprobleem is uiteindelijk geen technisch of economisch probleem (al is het dat natuurlijk ook), maar een cultureel probleem. Het betreft onze hele stijl van leven. Natuurlijk wordt dat vaker gezegd, maar daar blijft het dan bij. Het gaat erom wat het betekent. Iedere cultuur kenmerkt zich namelijk door een collectief systeem van definities. Ons gezamelijk referentiekader bepaalt in belangrijke mate onze handelwijze, maatschappij-inrichting en onze manier van omgaan met de natuur. Een van de definities die onze cultuur kenmerkt is dat de werkelijkheid een geheel van dode dingen is, die naar believen toegeëigend en gebruikt kunnen worden. Niet voor niets speelt in onze westerse samenleving het eigendomsbegrip zo’n centrale rol. Bossen, delfstoffen, dieren, alles wordt in bezit genomen en geëxploiteerd.
Een ander kenmerk van onze cultuur is dat we onszelf zien als een bij uitstek actief wezen dat (her)scheppend, ontdekkend en grensverleggend bezig is. Ook beschouwt de moderne mens zichzelf als een wezen met oneindige aspiraties. Hij of zij blinkt dan ook niet uit door tevredenheid. Uit een recent Amerikaans onderzoek blijkt dat de mens ondanks toegenomen koopkracht er toch niet tevredener op is geworden. In normatief opzicht is het bepalende gezichtspunt van de moderne tijd dat van de menselijke vrijheid en zelfontplooiing. Aan het dienstbaar zijn aan die zelfontplooiing wordt de waarde van de dingen afgemeten.
Toegepast op het milieuprobleem betekent dit inderdaad dat een beter milieu bij onszelf begint, maar dan heel fundamenteel: bij onze definities, ons zelfbeeld, onze aspiraties, onze stijl van leven. Dan blijft het niet bij uiterlijke begrenzingen van ons handelen, maar wordt een ander omgaan met de natuur van binnenuit gestuurd. Zonder zo’n heroriëntatie van ons handelen van binnenuit hebben externe invloeden maar een beperkt effect, net zoals het strafrecht een maatschappij niet in het gareel houdt als de grote meerderheid van de bevolking, niet spontaan conform de wetten handelt.
De milieubeweging schenkt te weinig aandacht aan de invloed van collectieve handelingspatronen en de opvattingen aan de basis daarvan. Ik waardeer haar activiteiten in het belang van een leefbaar milieu zeer. Maar door zich met al die concrete kwesties bezig te houden (en dat moet zij ook absoluut blijven doen) dreigt de milieubeweging net als het gangbare milieubeleid op het niveau van de bestrijding van de uitwassen van onze westerse levensstijl te blijven hangen. En veroordeelt zij zich zo tot een overwegend reactieve opstelling.
Er zouden initiatieven genomen moeten worden tot een bijstelling van onze leefwijze en dus van de daarachter liggende denkbeelden. We zouden onze opvattingen over welzijn en geluk, en de vraag of ons welbevinden met onze tegenwoordige manier van leven het best gediend is, eens goed tegen het licht moeten houden. Er zijn aanknopingspunten genoeg. In brede kring is het besef doorgedrongen dat de zware nadruk die de samenleving legt op rendement, mobiliteit en schaalvergroting niet alleen welzijn, maar ook massal onwelzijn produceert. Denk aan de door velen gevoelde stress in verband met hoge werkdruk en de vervreemding ten gevolge van voortdurende reorganisaties en fusies. Dat deze lijn binnen de milieubeweging twijfels oproept is niet verwonderlijk. Het gaat om processen die veel minder direct grijpbaar zijn dan de uitstoot van CO2 of de mate van pesticidengebruik. Maar processen die zoveel impact hebben, kunnen niet buiten beschouwing gelaten worden.
Voor een koerswijziging op dit niveau is een lange adem nodig. Dat is begrijpelijkerwijs niet erg aanlokkelijk voor een actiebeweging die binnen afzienbare tijd tastbare resultaten wil behalen. Maar de sociale realiteit kent nu eenmaal processen met een lange golfslag. Het zou kortzichtig zijn ze daarom maar te laten voor wat ze zijn. Of zo’n verandering van leefpatroon haalbaar is? De haalbaarheidsvraag is in onze op rendement gerichte cultuur haast een Pavlov-reactie: hij sluit veel discussies over wenselijkheidskwesties voortijdig kort. Ik beweer niet dat die vraag onbelangrijk is. Maar hij dient te blijven wat hij is: een secundaire vraag nà die naar de wenselijkheid.
Sterker nog: het heersende ‘realisme’ wordt irreëel doordat het te zeer op haalbaarheid gefixeerd is. Alle belangrijke bewegingen en doorbraken in de geschiedenis zijn klein en buiten de officiële circuits of hooguit in de marge ervan begonnen: het Christendom werd aanvankelijk weggelachen door het establishment, het duurde 150 jaar voordat Spinoza’s gedachtengoed voet aan de grond kreeg binnen de filosofie en iedereen kent het uiterst moeizame begin van de vak- en vrouwenbeweging.
Uiteraard kan de milieubeweging zich niet aan de ‘realiteit’ onttrekken. Maar die realiteit blijkt regelmatig om initiatieven te vragen die in termen van de gangbare opinie reëel en kansloos zijn. Wie zulke initiatieven ontplooit moet niet te zeer calcureren in termen van succes, maar ongeacht de kans van slagen overtuigd zijn van de zaak waar hij of zij voor staat. Om met Willem van Oranje te spreken: “We hoeven niet te hopen om te beginnen, noch te slagen om vol te houden.”
Koo van der Wal
Bronvermelding
Met toestemming overgenomen uit Milieudefensie, 99-1, blz. 22-23
De auteur Koo van der Wal is bijzonder hoogleraar milieufilosofie
aan de Ersamus Universiteit Rotterdam