de Koevoet » Archief

terug naar overzicht

 

Individuele waterzuivering voor particulieren
Nog geen land in zicht

De Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater van 1991 stelt dat na 31 december 2005 huishoudelijk afvalwater niet langer ongezuiverd geloosd mag worden, al geeft de richtlijn geen concrete cijfers voor de kwaliteit van het gezuiverde water. De Vlaamse wetgeving doet dat wel met VLAREM 2 (Vlaamse reglementering milieuvergunningen). Eind 2002 waren er volgens cijfers van de VMM (Vlaamse Milieu Maatschappij) nog zowat 320.000 woningen die in aanmerking kunnen komen om een IBA (Individuele Behandeling van Afvalwater) te plaatsen.

Of u al dan niet verplicht kan worden zelf te zuiveren hangt af van de rioleringszone waarin u woont. Concreet komt het neer op de vraag of de woning binnen afzienbare tijd (1-3 jaar) via een riool en collector-netwerk aangesloten zal zijn op een grote zuivering of RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie). Indien niet kan een verplichting opgelegd worden. Onderstaande tabel geeft een overzicht.

Zuiverings-
zone A
Zuiverings-
zone B
Zuiverings-
zone C
Niet gerioleerd
Definitie Gerioleerd gebied: afvalwater komt terecht in een RWZI Gerioleerd gebied: afvalwater komt in de toekomst terecht in een RWZI Gerioleerd gebied: afvalwater komt niet terecht in een RWZI Afvalwater komt terecht in oppervlaktewater of bodem
Aansluiting van huishoudelijk afvalwater op riool verplicht verplicht verplicht Niet van toepassing
Septische put neen neen Enkel voldoende bij bestaande lozingen Enkel voldoende bij bestaande lozingen
Individuele zuivering neen neen Verplicht bij nieuwbouw Verplicht bij nieuwbouw
Financile ondersteuning neen neen Subsidies en vrijstelling heffing op afvalwater bij bouw Subsidies en vrijstelling heffing op afvalwater bij bouw

Het onderscheid tussen een bestaande lozing en een nieuwe lozing is anders voor zuiveringszone C dan voor niet-gerioleerd gebied. Voor een lozing in de openbare riolering in een zuiveringszone C spreken we over een bestaande lozing als ze al aanwezig was vóór 1 augustus 1995. Een lozing in niet-gerioleerd gebied wordt als bestaand beschouwd als ze gebouwd is vóór 1 januari 1993 én de lozing gemeld werd voor 1 maart 1993. Woningen gebouwd na 1 januari 1993 of lozingen gemeld na 1 maart 1993 zijn nieuwe lozingen. De grens wordt bepaald door de datum van het in werking treden van de Vlarem. Al wat na 1 augustus 1995 is aangelegd wordt beschouwd als nieuwbouw. Voor vernieuwbouw wordt de definitie vastgelegd door de lokale besturen en die kan dus verschillen van gemeente tot gemeente. De bovenstaande zonering is vrijwel helemaal bekend bij de Vlaamse gemeenten, al zullen sommige gemeentebesturen dit tegenspreken. Aquafin legt in samenwerking met de gemeenten en de VMM de laatste zonebepalingen nog vast.

Financiële tegemoetkomingen

Iemand die in zone C of niet gerioleerd gebied woont kan verschillende beweegredenen hebben om een installatie te plaatsen. Hij kan bijvoorbeeld om ecologische redenen zelf het initiatief nemen. Al blijkt dat na twee jaar Waterloket (zie verder) eerder uitzonderlijk te zijn. Er zijn ook gevallen bekend waar de burger die in zone A of B woont alsnog een IBA plaatst. Dit is noch financieel noch milieutechnisch zinvol. Anderen anticiperen op de mogelijke verplichting wanneer verbouwingen worden gepland of worden stedenbouwkundig verplicht bij nieuw- of vernieuwbouw. Uit de honderden contacten met het Waterloket bleek de laatste reden de meest courante te zijn. Voor financiële bijstand kennen de meeste gemeenten een subsidie toe. Indien de gemeente de ‘samenwerkingovereenkomst cluster water’ tussen gemeente en gewest heeft ondertekend en een subsidiereglement heeft opgesteld zijn er subsidies voorzien. Dat kan u op de gemeente navragen. De ervaring leert echter dat deze subsidies niet of zelden toereikend zijn om de totale kostprijs te dekken. U geniet wel een vrijstelling op de jaarlijkse heffing op afvalwater van de VMM.

Is kiezen verliezen?

Eens de beslissing genomen dat een IBA geplaatst zal (moeten) worden kan de zoektocht naar een systeem beginnen. We zetten nog even de verschillende systemen op een rij. In grote lijnen onderscheiden we twee systemen: compacte en plantensystemen. In de meeste gevallen gaat het om aërobe systemen waarbij zuurstof via de lucht wordt aangevoerd om de bacteriën die het water zuiveren van de nodige energie te voorzien. Compacte systemen zijn typisch ondergrondse systemen waar de zuivering in verschillende compartimenten gebeurt, al dan niet in dezelfde behuizing. Die behuizing kan uit beton of kunststof vervaardigd zijn. Kunststof is uiteraard lichter en gemakkelijker te plaatsen. Beton is dan weer goedkoper maar ook veel zwaarder.

Plantensystemen bestaan uit een in folie geplaatst bed voorzien van een substraat (meestal zand of fijne kiezel) waarin de nodige bevloeiing, afvoersysteem en bepaalde soorten planten zijn aangebracht. Deze systemen zijn meestal duurder in aanleg (ca. € 5000 indien je het volledig laat plaatsen) dan compacte systemen die € 3 à 4000 kosten. Plantensystemen hebben voldoende licht nodig en nemen veel meer plaats in. Een compact systeem kan al op een oppervlakte van ongeveer 4 m² terwijl een plantensysteem voor dezelfde capaciteit (5 inwoners) 20 m² nodig heeft. Nadeel van compacte systemen is dan weer het grote elektriciteitsverbruik dat al gauw tussen de € 100 en € 200 per jaar kost. Een gevolg van een voor de meeste systemen continu draaiend elektrisch apparaat – een kleine luchtcompressor bijvoorbeeld – met als bijkomend nadeel dat na enkele jaren gebruik allicht een onderhoudsbeurt nodig is. Plantensystemen, meer specifiek percolatierietvelden, verbruiken slechts voor € 10 à 15 aan elektriciteit per jaar en vergen minder onderhoud. Plantensystemen zijn bovendien sneller operationeel na de opstart en gaan flexibeler om met schommelingen in de voeding. Een compact systeem heeft tussen de 6 en 12 weken nodig vooraleer het gezuiverde water (effluent) helder is. Een percolatierietveld produceert haast onmiddellijk een helder effluent.

Compacte systemen: enkele begrippen

Actief slib: verzamelnaam voor bacteriën die aangepast zijn om afvalwater te verwerken in de aanwezigheid van zuurstof.

Dragermateriaal: een vast materiaal in de vorm van argex, kunststof matten of lavasteen waarop de actieve bacteriën zich kunnen hechten en ontwikkelen.

Alle compacte systemen bestaan uit een voorbehandeling (analoog met een septische put), reactor of beluchtingsruimte waar de eigenlijke zuivering gebeurt, en een nabezinking waar het overtollige slib dat tijdens de zuivering wordt gevormd ophoopt. Zowel de voorbezinking als nabezinking moeten periodiek geruimd te worden door een erkende ophaaldienst.

Actief slibsysteem: in de reactor wordt de beluchting geregeld door één of meerdere beluchtingsmembranen. Er is geen dragermateriaal, wat tot gevoeligheid voor slibuitspoeling leidt bij piekdebieten. Sommige fabrikanten voorkomen dit probleem – al is het slechts gedeeltelijk – door een slibretour te voorzien van de nabezinking naar de reactor. De kans bestaat echter dat het uitgespoeld slib via de uitlaat het systeem verlaat wat dan weer tot een onzuiver effluent leidt. Deze systemen vragen een lange opstart van 6 tot 9 weken en er moeten soms gedroogde enzymen toegevoegd worden om het verloren slib te compenseren.

Bio-rotor: een slib-op-drager systeem waar schijven of met dragerlichamen gevulde kooien die gedeeltelijk ondergedompeld zijn in het water in de reactor ronddraaien zodat de bacteriën alternerend vuilvracht opnemen en ademhalen. Deze systemen zijn betrouwbaar maar duur in aankoop en elektriciteitsverbruik.

Ondergedompelde beluchte bacteriefilter: een slib-op-drager systeem waar vaste dragers in de reactor zijn ingebracht en de beluchting door beluchtingsmembranen gebeurt. Deze systemen zijn betaalbaar en beter bestand tegen piekbelastingen dan de klassieke actief slibsystemen. Tegenstanders van dit systeem stellen dat het dragermateriaal na enkele jaren dichtslibt en haast niet meer schoon te maken is. Er zijn momenteel echter onvoldoende gegevens voorhanden om hieromtrent een definitieve uitspraak te doen.

Aërobe biofilter of oxidatiebed: een slib-op-drager systeem waar het dragermateriaal niet is ondergedompeld in het water maar waarbij het te zuiveren water in de reactor deels over het dragermateriaal wordt besprenkeld en deels naar de nabezinking wordt geleid. Door de ontstane luchtstroom wordt de nodige zuurstof aangevoerd. Deze systemen doen het meestal goed, al is vastgesteld dat met slechts één circulatiepomp de verdeling naar het bed en/of nabezinking soms ongecontroleerd gebeurt wat tot slechte resultaten leidt. Systemen met twee pompen genieten zondermeer onze voorkeur.

Plantensystemen

Rietvelden bestaan in drie verschillende types: percolatierietvelden, vloeirietvelden en wortelzonerietvelden. Percolatierietvelden blijven ook in de winter perfect functioneren en vergen de kleinste oppervlakte: 3 tot 5 m²/persoon. Vloeirietvelden hebben 10 à 20 m2 per persoon nodig en omdat het vuile water aan de oppervlakte blijft staan veroorzaken ze vaak geurproblemen. Bovendien valt bij vriesweer de werking zo goed als stil. Wortelzonerietvelden stellen het met 10 m2. Nadeel van de laatste twee types is dat ze tijdens de winter een verminderde werking kunnen vertonen en ook een grotere oppervlakte vereisen (ca. 10 m² per persoon) dan percolatierietvelden.

Meestal wordt riet (Phragmites australis) voor percolatierietvelden gebruikt, al wordt er hier en daar geëxperimenteerd met andere plantensoorten. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het niet het riet dat het water zuivert maar de rond de wortels aanwezige bacteriën, net zoals bij compacte systemen of grootschalige RWZI’s. De planten nemen tijdens het groeiseizoen meestal wel nutriënten en koolstof op maar dat maakt zeker niet de hoofdzuivering uit. Het riet en het wortelstelsel zorgen vooral voor een biotoop waar bacteriën kunnen gedijen en houden het zand doorlatend zodat het systeem niet gaat verstoppen. Een rietveld kan je laten plaatsen of zelf plaatsen. In het eerste geval mag je voor een vijf-inwonerequivalent rekenen op € 5 à 6000. Leg je het volledig zelf aan kan dit voor ca. € 3000.

Garanties, bedrijfszekerheid en onderhoud

Welke juridische zekerheid heeft de gebruiker van een IBA dat het systeem blijvend zal voldoen aan de wettelijke eisen en vooral aan de Vlarem normen? Als een systeem een effluent voortbrengt dat niet blijkt te voldoen aan de normen kan de eigenaar de leverancier uiteraard vragen het probleem op te lossen. De ervaring leert dat de meeste leveranciers dat ook wel (trachten te) doen. Als er geen oplossing uit de bus komt lijkt het ons onwaarschijnlijk dat de zaak juridisch hard gemaakt kan worden, al geven de meeste fabrikanten en leveranciers de garantie dat het systeem voldoet aan Vlarem. De kwaliteit van het effluent is namelijk ook afhankelijk van hoe het huishouden ‘gerund’ wordt. Welke al dan niet milieuonvriendelijke stoffen worden gebruikt? Hoe wordt er schoongemaakt? Zijn er abnormale pieklozingen? Testaankoop heeft overigens een modelcontract opgesteld dat de consument bij aankoop van een IBA enkele garanties wil bieden. Ondanks het feit dat de zaak moeilijk hard te maken is nemen sommige gemeenten dit contract op in hun subsidiereglementering.

De meeste elektro-mechanische delen van het compactsysteem (pomp, compressor,...) gaan ongeveer 20.000 uren mee. Met een continu bedrijf (24 uur per dag, 365 dagen per jaar) kan u er van uitgaan dat na zowat 2 jaar een onderhoudsbeurt noodzakelijk wordt of dat bepaalde onderdelen vervangen moeten worden. Een pomp in een percolatierietveld daarentegen draait maar 10 tot 20 minuten per dag. Logisch dat de levensduur van de onderdelen in dat geval heel wat langer is. Een rietveld vergt doorgaans ook veel minder onderhoud dan een compact systeem.

Wat doen we met abnormale situaties? Een pomp kan bijvoorbeeld falen zodat de put dreigt te overstromen. De persluchtleiding van een compressor naar het beluchtingsmembraan kan scheuren enzovoort. Een aantal fabrikanten voorzien in een foutdetectiesysteem en het is dan ook aan te raden om voor een dergelijk systeem te kiezen. Zo weet u meteen wanneer er ingegrepen moet worden.

Conclusie

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat het voor de gemiddelde burger die verplicht wordt een IBA te plaatsen en er nauwelijks iets van af weet een moeilijk te klaren klus is om de juiste keuzes te maken. Het Waterloket is een centraal aanspreekpunt voor iedereen die vragen rond water heeft.

Je kan het bereiken via het gratis nummer 0800 99004, of via www.waterloketvlaanderen.be.
Vanuit het waterloket worden ook info-sessies georganiseerd rond duurzaam watergebruik met als hoofdthema’s IBA en alles rond regenwatergebruik, infiltratie, groendaken en waterbesparing.

Peter Vanhoutteghem

 

terug naar overzicht


© 2000-2012, Dialoog vzw : Duurzaam Bouwen & Bewust Wonen - Disclaimer
Remylaan 13, 3018 Wijgmaal-Leuven -